Thuisverhalen deel 2: Door de ogen van een thuiszoeker

Op een regenachtige donderdagmiddag zat ik in mijn nieuwe huis met mijn oortjes achter de laptop. Ik was die middag bezig met veldwerk in het kader van contextmapping. Ik interviewde die middag mensen die beter bekend staan als ‘woningzoekenden’. Op donderdagavond kwam ik tot de conclusie dat de term ‘thuiszoeker’ beter de lading dekt.

Zo sprak ik een jonge dame die in verwachting was van haar eerste kind. Haar relatie was recent op de klippen gelopen. Daardoor woonde ze weer thuis op de zolder van haar moeder. Op de vraag wat hoe zij haar situatie ervaart, gaf ze als antwoord: ‘’Ik heb in ieder geval een lieve moeder een en huis. Nu wil ik nog een plekje voor mij en de kleine.’’ Niet alleen op zoek naar een huis, maar ook naar een thuis dus. Wat haar situatie extra complex maakt, is dat haar kind uiteraard nog ongeboren is. Met alleen haar huidige inschrijfduur komt ze niet in aanmerking voor een woning. Omdat haar kind nog niet geboren is, telt haar ‘gezinssituatie’ niet mee in het woonruimteverdeelsysteem: ‘’Op de dag van mijn bevalling moet ik haar inschrijven. Ik hoop dat het dan lukt om een huis te vinden’’.

Een dag later sprak ik een mevrouw die in een paar jaar tijd 5 keer is verhuisd door allerlei persoonlijke omstandigheden. Over haar wisselende huisvesting en bijbehorende verhuizingen zegt ze: ‘’Ik ben iedere keer blij dat ik iets kan vinden, maar een bestaan opbouwen is onmogelijk. Zonder huis, geen toekomst’’. Dan sta je als woningzoekende met je rug tegen de muur. Je wilt graag een eigen thuis, maar de enorme woning schaarste raakt haar toekomstdroom, want dat is een woning voor velen, uit het zicht.

In de interviews die volgden, haalden mijn collega Niels en ik meer schrijnende persoonlijke situaties op. Zo zijn er mensen die gescheiden zijn van hun partner, maar nog wel inwonend zijn bij hun ex-partner. Omdat er simpelweg op korte termijn geen woning is te vinden. Of mensen die minder valide zijn, waardoor de woonwensen niet passen bij het aanbod. Oftewel: nog steeds geen thuis gevonden. Extra wrang maakt het wanneer sommige mensen 20 jaar zijn ingeschreven om inschrijfduur op te bouwen: ‘’Dan heb ik altijd iets te kiezen wanneer ik iets anders wil.’’ Je kunt het de individuen misschien niet kwalijk nemen, maar het voelt soms oneerlijk. Ook in de objectieve rol van interviewer.

In de koers van KWH staat het thema ‘thuis’ centraal. Een goed huis is belangrijk, maar een eigen thuis nog veel meer. Dat kwam die donderdagmiddag extra binnen. Ik, de interviewer die vragen stelt vanuit een eigen huis, in gesprek met mensen die wanhopig zijn naar een woonruimte. Wat me daarnaast in de gesprekken raakte, was de relativeerde toon die woningzoekenden vaak zelf plaatsen: ‘’Ach, iemand zal het vast wel moeilijker hebben dan ik. Dan snap ik best dat misschien iemand anders voorgaat bij een woning ten opzichte van mij.’’

Een woonruimteverdeelsysteem veranderen is geen makkelijke opgave. Er zijn tal van persoonlijke situaties die mensen van zichzelf, maar ook van een ander, erg belangrijk vinden. De leefwerelden van woningzoekenden en huurders zijn ontzettend divers. Hoe kom je dan tot een goede weging van al die factoren? Hoe breng je leef- en systeemwereld samen in een nieuw te ontwerpen woonruimteverdeelsysteem? Hersens worden momenteel gekraakt op dit vraagstuk en krijgt ongetwijfeld nog een vervolg.

We zijn nu een aantal maanden verder sinds ik de ‘thuiszoekers’ heb gesproken. Wanneer ik in de media lees over de krapte op de woningmarkt, denk ik terug aan de interviews. Ik hoop dat een aantal woningzoekenden inmiddels wel een huis hebben gevonden. Dat de jonge dame is bevallen en een eigen kamer heeft voor de pasgeborene. En dat de ex-partner inmiddels niet alleen op papier, maar ook in de praktijk tot een scheiding heeft geleid. Een eigen thuis. Het is het nieuwe kapitaal in een wereld van schaarste.

Ook interessant